ADHD betekent Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder, oftewel
aandachtstekort/hyperactiviteitstoornis.
Het "aandachtstekort" slaat niet op onvoldoende aandacht krijgen. Wel
kan iemand met ADHD onvoldoende aandacht schenken aan zijn of haar
omgeving. Daardoor is het niet goed mogelijk om de aandacht bij één
ding tegelijk te houden (concentratiegebrek). Een ADHD'er wordt snel
afgeleid.
Hyperactiviteit kan zich uiten door lichamelijke onrust, maar ook door
innerlijke onrust en impulsiviteit. Bij hyperactiviteit kan er ook
sprake zijn van overmatige beweeglijkheid. Deze beweeglijkheid is door
ADHD'ers vaak moeilijk te onderdrukken. Sommige ADHD'ers lijken zelf
weinig tot niet bewust van hun eigen beweeglijkheid tot hen hierop
gewezen wordt. De mate en manier van beweeglijkheid is voor elke ADHD'er
verschillend. Sommigen maken voornamelijk grote bewegingen met benen of
armen, sommigen friemelen meer met de vingers en handen. De
beweeglijkheid kan in verschillende situaties ontstaan of verergeren.
Over het algemeen zijn dat situaties met stress of een drukke omgeving
(een situatie waarin veel prikkels moeten worden verwerkt).
Impulsiviteit ontstaat doordat teveel indrukken worden gevolgd door
bijbehorend handelen. De handelingen moeten direct plaatsvinden en
kunnen niet worden uitgesteld. Handelingen die eenmaal in gang zijn
gebracht kunnen niet meer worden gestopt en moeten eerst worden
afgemaakt. Er kan vaak minder goed onderscheid worden gemaakt tussen
belangrijke en minder belangrijke zaken. Bij taken worden dan verkeerde
prioriteiten gelegd.
Het voortdurend reageren op de omgeving en gevolg geven aan impulsen
veroorzaakt het kenmerkende drukke gedrag van personen met ADHD.
Indeling in types
ADHD, vroeger ook wel MBD (Minimal Brain Dysfunction) genoemd, valt in
het DSM-IV uiteen in de volgende drie groepen:
het onoplettende type. Dit is het type waarbij vooral sprake is van
ernstige en aanhoudende aandachtszwakte (moeite om de aandacht in het
hier-en-nu te houden, dromerig type). Dit wordt ook wel het ADD-type
genoemd; het hyperactieve/impulsieve type. Hier is vooral sprake van
ernstige en aanhoudende impulsiviteit en hyperactiviteit; het
gecombineerde type. Beide soorten problemen komen samen voor. Dit type
ADHD komt het meeste voor.
DSM-IV-TR criteria ADHD
(Omdat de symptomen met het ouder worden iets kunnen afnemen, wordt vaak
gesteld dat een volwassen patiënt moet voldoen aan 4 of 5 van 9
criteria van een of beide symptoomclusters.) #2 - Literatuurlijst ADHD
A. Ofwel (1), ofwel (2)
1. Zes (of meer) van de volgende symptomen van aandachtstekort zijn
gedurende ten minste zes maanden aanwezig geweest in een mate die
onaangepast is en niet past bij het ontwikkelingsniveau:
Aandachtstekort
slaagt er vaak niet in voldoende aandacht te geven aan details of maakt
achteloos fouten in schoolwerk, werk of bij andere activiteiten
heeft vaak moeite de aandacht bij taken of spel te houden
lijkt vaak niet te luisteren als hij/zij direct aangesproken wordt
volgt vaak aanwijzingen niet op en slaagt er vaak niet in schoolwerk,
karweitjes af te maken of verplichtingen op het werk na te komen (niet
het gevolg van oppositioneel gedrag of van het onvermogen om aanwijzigen
te begrijpen)
heeft vaak moeite met het organiseren van taken en activiteiten
vermijdt vaak, heeft een afkeer van of is onwillig zich bezig te houden
met taken die een langdurige aandacht (langdurige geestelijke
inspanning) vereisen (zoals school- of huiswerk)
raakt vaak dingen kwijt die nodig zijn voor taken of bezigheden
(bijvoorbeeld speelgoed, huiswerk, potloden, boeken of gereedschap)
wordt vaak gemakkelijk afgeleid door uitwendige prikkels
is vaak vergeetachtig bij dagelijkse bezigheden
2. zes (of meer) van de volgende symptomen van
hyperactiviteit-impulsiviteit zijn gedurende ten minste zes maanden
aanwezig geweest in een mate die onaangepast is en niet past bij het
ontwikkelingsniveau:
Hyperactiviteit
beweegt vaak onrustig met handen of voeten, of draait in zijn/haar stoel
staat vaak op in de klas of in andere situaties waar verwacht wordt dat
men op zijn plaats blijft zitten
rent vaak rond of klimt overal op in situaties waarin dit ongepast is
(bij adolescenten of volwassenen kan dit beperkt blijven tot subjectieve
gevoelens van rusteloosheid)
kan moeilijk rustig spelen of zich bezighouden met ontspannende
activiteiten
is vaak "in de weer" of "draaft maar door"
praat vaak aan een stuk door
Impulsiviteit
gooit het antwoord er vaak al uit voordat de vragen afgemaakt zijn
heeft vaak moeite op zijn/haar beurt te wachten
verstoort vaak bezigheden van anderen of dringt zich op (bijvoorbeeld
mengt zich zomaar in gesprekken of spelletjes)
B. Enkele symptomen van hyperactiviteit-impulsiviteit of onoplettendheid
die beperkingen veroorzaken waren voor het zevende jaar aanwezig.
C. Enkele beperkingen uit de groep symptomen zijn aanwezig op twee of
meer terreinen (bijvoorbeeld op school {of werk} en thuis).
D. Er moeten duidelijke aanwijzingen van significante beperkingen zijn
in het sociale, school- of beroepsmatig functioneren.
E. De symptomen komen niet uitsluitend voor in het beloop van een
pervasieve ontwikkelingsstoornis, schizofrenie of een andere
psychotische stoornis en zijn niet eerder toe te schrijven aan een
andere psychische stoornis (bijvoorbeeld stemmingsstoornis,
angststoornis, dissociatieve stoornis of een persoonlijkheidsstoornis).
Diagnose
De DSM is in feite een turflijst van gedragingen. De DSM doet geen
enkele uitspraak over oorzaak van bepaald gedrag of de juiste
behandeling van dit gedrag. Over het gebruik van het woord 'diagnose' na
enkel het beschrijven van het gedrag mbt. van de DSM, valt wel wat af te
dingen.
Het is niet altijd gemakkelijk om het juiste type te bepalen. De
overgangen tussen de verschillende typen verlopen vloeiend. Ook
verschillen de combinaties van eigenschappen per individu. Jongens met
ADHD kampen vaker met hyperactiviteit, impulsiviteit en
gedragsproblemen, terwijl meisjes met ADHD wat vaker van het ADD-type
zijn.
Zie ook het overzicht van de DSM-criteria: Symptomen en diagnose.
Elke arts is bevoegd om de diagnose ADHD te stellen, maar de stoornis
wordt doorgaans vastgesteld door een psychiater of psycholoog of door
een orthopedagoog met in ieder geval een basisaantekening
psychodiagnostiek (BAPD). Deze zijn hiervoor specifieker opgeleid.
Alleen een arts is bevoegd om eventueel medicatie voor te schrijven.
Voor het diagnosticeren kunnen verschillende tests en observaties worden
gebruikt. Er bestaat geen standaardtest.
Volgens de huidige inzichten komt ADHD bij 3 tot 5% van de kinderen voor
en bij zeker 1% van de volwassenen. Bij ADHD spelen ook erfelijke
elementen een rol. Het komt dan ook regelmatig voor, dat er ook bij een
van de ouders sprake is van ADHD, vaak zonder dat ooit de diagnose is
gesteld. In het verleden werd ADHD bij kinderen vaak niet onderkend.
Voor zover dat wel het geval was, was men algemeen van mening, dat de
symptomen vanzelf geleidelijk zouden verdwijnen en dat ADHD bij
volwassenen niet voorkomt. Dit blijkt maar in zeer beperkte mate het
geval. Wel veranderen de symptomen, omdat de volwassene na verloop van
tijd beter met zijn/haar beperkingen leert om te gaan en de maatschappij
aan volwassenen andere eisen stelt.
Comorbiditeit
Van de volwassenen met ADHD heeft een extreem hoog aantal last van een
comorbide (bijkomende) ernstige stoornis. Bij circa vier van de vijf
patiënten is dit het geval, ongeveer een derde heeft zelfs meerdere
bijkomende stoornissen.
Het ging daarbij met name om angststoornissen, depressie,
verslavingsproblemen en persoonlijkheidsstoornissen.
"Wanneer persoonlijkheidstrekken en -stoornissen worden samengenomen,
hadden 56 (40%) patiënten een classificatie op as II, te weten:
antisociaal 24 (17%), ‘borderline’ 16 (11%), afhankelijk 8 (6%) en
overige 8 (6%)."
Uit een beperkt onderzoek onder een geselecteerde groep van 105
volwassenen met ADHD uit 2006 blijkt, dat ADHD een negatieve invloed
heeft op een groot aantal terreinen, zowel lichamelijk en psychisch als
sociaal en economisch. De kwaliteit van leven wordt lager ervaren dan
gemiddeld.
ADHD in combinatie met dyspraxie wordt ook wel DAMP-syndroom
ADHD en autisme
Recent onderzoek heeft aangetoond dat er een overlap bestaat tussen
autistisch-spectrumstoornissen (ASS) en ADHD. Zo zijn er in meerdere
wetenschappelijke studies qua gedrag (cognitieve processen)
overeenkomsten gevonden, maar ook in beeldvormend onderzoek
(hersenscans) is naar voren gekomen dat er beperkingen zijn in dezelfde
hersengebieden. Ook komen beide stoornissen vaker samen voor dan
redelijkerwijs zou kunnen worden aangenomen. Dit wil overigens niet
zeggen dat ADHD en autisme een en dezelfde stoornis betreft. Ouders die
zowel een kind met ADHD als een kind met ASS hebben kunnen duidelijke
verschillen aangeven.
ADHD'ers in hun omgeving
Het gedrag van ADHD'ers wordt door de omgeving in meer of mindere mate
ervaren en omschreven als storender, dominanter, opdringeriger,
lawaaieriger en soms agressiever dan normaal. Als gevolg daarvan kunnen
ADHD'ers in een situatie geraken dat zij sociaal worden uitgesloten.
Deze gedragingen kunnen, samen met het aandachtstekort, de
schoolprestaties van het kind negatief beïnvloeden. Ook voor de ouders
betekent een kind met als diagnose ADHD een extra belasting, die kan
leiden tot extra stress en spanningen binnen relaties en in het gezin.
Wanneer ook nog één of beide ouders ADHD heeft is de last voor het
gezin erg groot. Van belang is, of in dat geval ook bij de ouder de ADHD
reeds is vastgesteld.
Volwassenen met ADHD zijn gebaat bij het vinden van structuur en werk
waarin men kan functioneren. Men kiest soms onbewust een omgeving waar
men minder last ervaart. De overbeweeglijkheid vermindert in de loop der
tijd meestal wel in meer of mindere mate. De symptomen kunnen gepaard
gaan met aanhoudende emotionele en sociale problemen. In het geval dat
de ADHD'er in de maatschappij niet zijn juiste plaats en omgeving weet
te vinden en de maatschappij onvoldoende begrip toont en te weinig
ruimte biedt tot ontplooiing, kan werkloosheid, criminaliteit en
misbruik van genotmiddelen het gevolg zijn. Aan de andere kant kunnen de
speciale eigenschappen die ADHD met zich meebrengt ook positieve
effecten opleveren. Door hun onconventionele manier van denken kunnen de
ADHD'ers anders en op een verfrissende manier tegen vanzelfsprekende
zaken aankijken, wat vaak verrassende resultaten kan opleveren.
Creativiteit, vindingrijkheid en vernieuwing gaan vaak samen met ADHD.
Vermoeidheid
Ongeveer driekwart van de volwassen ADHD'ers heeft last van
vermoeidheid. Zij hebben het gevoel dat alles wat ze doen hun meer
moeite en energie kost. Dit kan nog eens verergerd worden doordat 30%
van de patiënten last heeft van slaapproblemen. Ze gaan vaak laat naar
bed, hebben veel moeite met inslapen, slapen beweeglijk en onrustig,
zijn na een nacht slapen niet uitgerust en stapelen dus slaapschuld op.
Bijzondere kenmerken van ADHD'ers
ADHD'ers zijn beweeglijk, onrustig en minder voorspelbaar in hun
motoriek en in hun denken. Ze zijn gevoelig voor prikkels van buitenaf,
maar zoeken de prikkels zelf op wanneer die ontbreken. Door deze
eigenschappen komen we onder ADHD'ers mensen tegen die bijzondere
vaardigheden hebben ontwikkeld met betrekking tot het snel combineren
van informatie en indrukken, die probleemoplossend denken, met
creativiteit en originaliteit, en met ruimtelijk inzicht. Omdat veel
ADHD'ers een bepaalde prikkeldrempel nodig hebben zullen ze in bepaalde
risicovolle omstandigheden en in crisissituaties juist alerter en beter
gaan functioneren terwijl bij mensen zonder ADHD het afbreukrisico juist
toeneemt. Een ADHD'er kan een probleem als een uitdaging tegemoet willen
treden, terwijl een iemand zonder ADHD zich ontwijkend zal opstellen. Er
wordt weinig of geen gebruik van gemaakt om juist mensen met ADHD
vanwege deze complementaire eigenschappen en vooral kwaliteiten bewust
aan te trekken en in te zetten.
Voelt de ADHD'er zich overspoeld -overprikkeld- door een overmaat van
prikkels (achtergrondmuziek in winkels, sterke geuren, veel mensen in
zijn omgeving, enzovoort), dan zal hij zich liever terugtrekken,
bijvoorbeeld in een omgeving zonder geluiden of irriterend licht.
Sommige mensen met ADHD hebben ook vaker moeite met het onthouden van
dingen, wat uiteindelijk gaat leiden tot leerproblemen en
gedragsveranderingen op school. Het is momenteel het meest voorkomende
gedragsprobleem bij kinderen.
ADHD een mode-diagnose?
De grote toename van het aantal gevallen van ADHD en ADD doet soms
denken aan een "mode-diagnose". Onderzoek toont echter aan dat de
diagnose van wat nu ADHD wordt genoemd, minstens teruggaat tot het begin
van de vorige eeuw. In die tijd bestonden dergelijke kinderen ook wel
maar dit werd nog niet als een medisch probleem gezien. Destijds werden
veel kinderen slechts bestempeld met het etiket: lastig, druk, moeilijk
handelbaar, agressief, kan zich niet concentreren. Later werden
dergelijke kinderen tot ongeveer 1990 aangeduid met de diagnose MBD
(minimal brain damage - minimale hersenbeschadiging). Omdat een
beschadiging echter niet kon worden gevonden werd de betekenis veranderd
naar minimal brain dysfunction, waarmee meer de nadruk op het
disfunctioneren werd gelegd dan op een veronderstelde onderliggende
oorzaak.
Dankzij moderne onderzoekstechnieken, zoals hersenscans en
computertests, kan men tegenwoordig vaststellen, dat er in vergelijking
met gezonde mensen wel degelijk verschillen zijn in het functioneren van
bepaalde hersengebieden. De diagnose MBD is inmiddels vervangen door
ADHD en komt daarmee ook niet meer voor. In die zin is er wel sprake van
een mode - de diagnosen voor dezelfde soort problemen veranderen in de
loop der tijd met verschuivende inzichten en andere nadruk op
verschijnselen en veronderstelde oorzaken.
De huidige maatschappelijke veranderingen dragen mede bij aan een
toename van het aantal diagnoses ADHD. Belangrijk voor iemand met ADHD
is de aanwezigheid van structuur, regels en regelmaat, aandacht en
waardering. In deze tijd zien we dat de structuur die de kerk, de school
en de maatschappij vroeger dwingend oplegden, vervaagd is of voortdurend
verandert. In een maatschappij waar het verband tussen persoonlijke
inzet en beloning meer en meer vervaagt en ook uitgesproken
(bijvoorbeeld politiek) beleid en maatregelen vaak niet met elkaar in
overeenstemming zijn, zal dit bij iemand met ADHD bewust of onbewust tot
onbegrip en vervolgens tot onvrede leiden. Dat dit onbegrip (c.q.
onvrede) met betrekking tot een dergelijke scheefgroei als
maatschappelijk niet of minder wenselijk wordt ervaren, suggereert dat
de vroeger door de kerk en andere instituties opgelegde en in stand
gehouden structuren inmiddels grotendeels door nog onvoldoende in kaart
gebrachte, maar niet minder dwingende en nader te onderzoeken
controlemechanismen zijn vervangen.
In oktober 2005 sprak het kinderrechtencomité CRC van de Verenigde
Naties zijn zorgen uit over overdiagnose van ADHD en het te vaak
voorschrijven van psychoactieve middelen. Het comité sprak zich uit
voor meer studie naar de diagnose. Niet alleen in de Verenigde Staten,
maar ook in Europa gebruikt een inmiddels aanzienlijke groep kinderen
Ritaline en andere stimulantia.
Genetica
Erfelijke invloeden
Familiestudies naar ADHD laten consequent zien dat ADHD sterk familiaal
van aard is. De meeste studies toonden aan dat ouders en nageslacht van
kinderen met ADHD, een 2 tot 8 maal verhoogd risico op het ontwikkelen
van ADHD hebben. In gezonde controlegroepen komt ADHD voor bij 2 tot 5
procent van de eerstegraads familieleden van kinderen, dit percentage
stijgt naar 20 tot 25 procent in de groepen met kinderen met ADHD. Bij
kinderen van volwassenen met ADHD, komt ADHD zeer vaak voor, zo’n 75%.
Omdat men er vanuit gaat dat ADHD een belangrijke genetische component
heeft, heeft men tweelingstudies gedaan, die de mate van erfelijkheid
onderzochten of de mate waarin de aandoening beïnvloed wordt door
genetische factoren. Op basis van 18 studies (die methodologisch en qua
definitie van ADHD verschilden) komt men uit op een gemiddelde
erfelijkheid van 77 procent.
Moleculair genetisch onderzoek
Een groot genoom-breed onderzoek suggereert dat op de chromosomale
regio’s 16p13 en 17p11 waarschijnlijk genen liggen die een risico voor
het ontwikkelen van ADHD inhouden.
Verschillende studies laten een verband zien tussen polymorfismes in het
dopamine transporter gen (DAT) en ADHD. Het gaat hierbij om het
480-basenpaar allel in het DAT gen, en om het 440 basenpaar 3' DAT VNTR
polymorfisme. De hoeveelheid dopamine transporter is 70 procent verhoogd
bij volwassenen met ADHD. Het gen dat het meest met ADHD in verband
wordt gebracht is het 7-repeat-allel van het dopamine receptor D4 gen
(DRD4).
Het McCann-onderzoek in 2007 naar de invloed van kleurstoffen in voeding
heeft aanwijzingen gegeven voor een verband tussen enkele genetische
polymorfismes die verband houden met een verminderde afbraak van
histamine, de gevoeligheid voor de onderzochte kunstmatige kleurstoffen
en de toename van hyperactiviteit.
Omgevingsfactoren
Er zijn geen aanwijzingen dat ADHD na de geboorte kan ontstaan door
omgevingsfactoren. Wel heeft de omgeving invloed op de ADHD-symptomen.
In ongunstige omstandigheden, zoals een prikkelrijke, lawaaiige en
stress-volle omgeving, zullen de ADHD-symptomen toenemen. In een rustige
en harmonische omgeving zullen de symptomen eerder afnemen of
wegblijven.
Voedingsadditieven
Welke rol de voeding kan spelen bij ADHD is vaak onduidelijk en
wetenschappelijk omstreden. Veel wetenschappelijke onderzoeken zijn niet
onafhankelijk of slecht opgezet.
Naar de invloed van voedingsadditieven is veel onderzoek gedaan.
Voedingsadditieven veroorzaken geen ADHD. Wel is bewezen dat zij de
gevolgen van ADHD kunnen versterken. Een groot onderzoek van McCann et
al. in 2007 toonde aan dat kunstmatige kleurstoffen in voeding een
toename van hyperactiviteit kunnen veroorzaken (zie
Intolerantie#Kleurstoffen). Het gaat dan met name om azokleurstoffen en
Chinolinegeel (E104).
Neurobiologie
De neurobiologie van ADHD is nog slechts gedeeltelijk opgehelderd.
Verstoringen in de dopaminerge en noradrenerge systemen in de hersenen,
worden als basissymptomen van ADHD beschouwd. Ondanks de soms
tegenstrijdige uitkomsten van studies, tekent zich toch een beeld af van
afwijkingen in de functie van de frontale kwab en afwijkende
verbindingen tussen de frontale kwab en belangrijke subcorticale
gebieden. Het is niet duidelijk of de prefrontale afwijkingen een
frontale of subcorticale oorsprong hebben. Daarom gebruikt men in
verband met ADHD ook wel de neuropsychologische term fronto-subcorticale
aandoening. Dat wil zeggen een gedrags- of cognitieve stoornis die een
frontale oorzaak lijkt te hebben, maar door subcorticale uitlopers wordt
beïnvloed.
Hersenscans laten diverse veranderingen in structuur en functie van de
hersenen van ADHD-patiënten zien. De meest gerepliceerde afwijkingen
zijn kleinere afmetingen van onderdelen van de frontale cortex,
cerebellum en subcorticale regio’s, waardoor de hersenen in totaal 3
tot 5 procent kleiner zijn. Belangrijk is ook een 10 jaar durende studie
die aantoonde dat de gebruikelijke ADHD-medicatie geen negatieve invloed
heeft op de hersenen. De zenuwbanen vertonen dezelfde groeicurves bij
ADHD'ers als bij neuro-normale controlegroepen, alleen ligt bij de
ADHD'ers deze curve wat lager, maar loopt wel parallel.
Hersenfunctie-studies laten, net als de scans, zien dat subcorticale
gebieden (caudate, putamen en globus pallidus) een rol spelen. Ze geven
feedback aan de cortex, waardoor ons gedrag wordt gereguleerd. Bij ADHD
zijn er afwijkingen in deze gebieden en (dus) in het gedrag.
De fronto-subcorticale systemen zijn rijk aan catecholamines.
Stimulantia zoals methylfenidaat (Ritalin) verminderen de symptomen van
ADHD door remming van de dopamine-transporter en blokkade van de
heropname van dopamine en noradrenaline terug in het presynaptische
neuron, waardoor de beschikbare hoeveelheid van deze stoffen buiten de
neuronen groter wordt. Een model voor de effectiviteit van deze middelen
bij ADHD: via de dopaminerge en noradrenerge systemen wordt de remmende
invloed van de frontale cortex op de subcorticale regio’s groter. Dit
heeft invloed op gedrag in nieuwe, onbekende situaties, plannen van
taken, beslissingen nemen, remmen van gedrag (impulscontrole) en
gevoeligheid voor plezierige ervaringen.
Behandeling
ADHD is niet te genezen. Wel kunnen met behulp van medicijnen de
symptomen worden verminderd. Vaak heeft dit een positieve invloed op het
sociaal functioneren, waardoor het effect zeer groot kan zijn.
Medicijnen kunnen ook de niet-medicinale behandelingen ondersteunen. De
behandeling van ADHD bestaat uit een op het individu afgestemd
behandelprogramma, dat vaak medicatie en psychologische, educatieve,
sociale en voedingsinterventies omvat. Voor het maximale succes moeten
de ADHD'er en zijn of haar ouders/partner, andere familieleden en
leerkrachten/schoolleiding actief bij het behandelplan betrokken worden.
Lotgenotencontact wordt hier zeker ook belangrijk in gevonden.
Medicatie
Specifieke medicatie voor AD(H)D zijn stimulantia en Strattera. In
bepaalde gevallen worden ook wel 'tricyclische antidepressiva' (imipramine,
nortriptyline) voorgeschreven. Bij comorbide stoornissen worden ook wel
antidepressiva of (in lichte dosering) antipsychotica.
Het stimulantium methylfenidaat wordt al het langst toegepast en is
beschikbaar in twee vormen: een kortwerkende vorm en een langwerkende.
De kortwerkende vorm is verkrijgbaar als tablet onder de originele
merknaam Ritalin (in Nederland), Rilatine (in België) of onder de
generieke naam methylfenidaat hydrochloride. De langwerkende vorm is
verkrijgbaar van de merken Concerta, Equasym, Medikinet en in België
Rilatine MR.
Een alternatief voor methylfenidaat is dexamfetamine.
Sinds april 2005 is een medicijn beschikbaar dat een andere werkzame
stof (atomoxetine) heeft: Strattera.
Niet-medicinale behandelingen
Naast de klassieke medicinale behandelingen zijn er intussen veel
niet-medicinale behandelingen. Sommige hiervan zijn gefundeerd op
wetenschappelijk onderzoek.
Gedragstherapie is geen behandeling van eerste keuze voor de behandeling
van kinderen met ongecompliceerde ADHD
Pedagogische benadering
Kinderen met ADD/ADHD vragen om een specifieke pedagogische benadering.
Zorg voor structuur in de dag en tijd. Dit kan door gebruik te maken van
dagritmekaarten en twee klokken. De ene klok geeft de tijd aan, de
andere klok wordt gezet op de tijd waarop een activiteit afloopt of
begint.
Zorg voor regelmaat.
Bereid het kind voor op veranderingen.
Leer het kind aan om eerst te stoppen, dan te denken en tenslotte te
handelen.
Zorg voor ontladingsmomenten waarin het kind de energie kwijt kan.
Beloon en complimenteer in overvloed.
Benoem gewenst gedrag.
Geef het kind taken waarin het verantwoording draagt en waarin het
energie kwijt kan.
Help het kind op weg als het aan een taak moet beginnen.
Zorg voor uitdaging.
Help met plannen van dagen of taken (bijvoorbeeld koken).
Voor meer informatie of vragen, bezoek het forum!